6.1.4 Klemtoon

Op welke lettergreep de klemtoon ligt, wordt aangegeven door onderstreping van de klinkerletter(s) daarin (heimisj, Tora). Dit gebeurt alleen bij woorden met twee of meer lettergrepen.

Maar bij combinaties van twee of meer woorden kan ook de klinker in een éénlettergrepig woord zijn onderstreept. Bij dergelijke combinaties hebben immers niet alleen bepaalde lettergrepen een woordklemtoon, maar heeft bovendien één bepaald woord een combinatieklemtoon. Als dat een eenlettergrepig woord is, dan wordt de de klinker daarin onderstreept om de combinatieklemtoon aan te geven: Baäl Sjem Tov, El Al, gefilte fisj.

Zoals deze voorbeelden laten zien, ligt de combinatieklemtoon bij Hebreeuwse en Jiddisje woordcombinaties gewoonlijk op het laatste woord.

De klemtoonaanduiding ontbreekt nog bij een aantal gangbare versies van de Bijbelse namen die in Sofeer zijn opgenomen. Er moet namelijk nog worden onderzocht op welke lettergreep Nederlanders en Vlamingen over het algemeen de klemtoon leggen, als die het hebben over bijvoorbeeld Ahasveros, Darius, Elkana of Nehemia. Daarvoor zijn al plannen gemaakt.

Bij verschillende woorden uit vooral het Hebreeuws worden twee lettergrepen aangegeven waarop de klemtoon kan worden gelegd. Die worden namelijk op twee manieren uitgesproken, meestal niet alleen met de gebruikelijke klemtoon achteraan, maar ook met een klemtoon meer naar voren. Deze laatste beklemtoning zal onder andere invloed zijn van westerse talen als het Nederlands waarin deze woorden gebruikt worden.


Vorige paragraaf:
6.1.3 Afbreekplaatsen
Volgende paragraaf:
6.1.5 Uitspraak