6.1.5 Uitspraak

Achter de woordenboekwoorden en de buigingsvormen wordt tussen vierkante haakjes uitspraakinformatie gegeven, wanneer dat nuttig lijkt. Dat gebeurt zoveel mogelijk met de letters en op de manier van de gewone Nederlandse spelling.

Wel zijn aan de letters van het alfabet twee tekens toegevoegd:

Verder komen drie klinkerletters met een accentteken voor: [à], [è] en[ò].

In dit verband een algemene aantekening: Als in deze hoofdstukken letters tussen vierkante haakjes staan, dan worden de klanken daarvan bedoeld, dus datgene wat gezegd en gehoord wordt. Als letters zijn gecursiveerd, dan gaat het om de letters, dus om datgene wat geschreven staat.

De uitspraak wordt alleen aangegeven voorzover dat nodig is. Zo eindigt het woord [ang met boogje erbovensjwajiddsjwald] in de spelling op de letter d, maar in de uitspraak op de klank [t]. Dat wordt niet vermeld, omdat een slot-d in het Nederlands altijd wordt uitgesproken als [t].

De uitspraak geeft aan wat meestal gezegd wordt. In de regel klinkt daarbij het Hebreeuws of Jiddisj door waaruit de woorden afkomstig zijn. Als daarnaast een vernederlandste versie voorkomt, dan is die niet opgenomen. Achter bijvoorbeeld Negev staat dus wel [Nèg met boogje erbovenev], maar niet [Neegef].


Vorige paragraaf:
6.1.4 Klemtoon
Volgende paragraaf:
6.1.6 Lidwoord, woordgeslacht