6.1.6 Lidwoord, woordgeslacht

Bij zelfstandige naamwoorden staat het lidwoord van bepaaldheid vermeld (de of het), maar alleen wanneer dit met enige regelmaat wordt gebruikt. Dit gebeurt ook bij meervoudige woorden (judaïca, megilot, tehiliem, sadduceeën), hoewel het daarbij uitgesloten is.

Bij woorden met het lidwoord de wordt niet vermeld of ze 'mannelijk' of 'vrouwelijk' zijn. In het Groene Boekje gebeurt dit in veel gevallen wel. Daarbij gaat het vaak niet om kenmerken van de woorden zelf (zoals bij boer boerin of secretaris secretaresse), maar om de verwijzingen daarnaar met mannelijke of vrouwelijke persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden, dus met hij, hem en zijn, of met zij, ze en haar. Dit soort verwijzingen worden in het concrete taalgebruik vaak vermeden. Ze komen ook vrijwel niet voor in het materiaal waarop Sofeer is gebaseerd. Daaraan konden dus geen gegevens over het woordgeslacht worden ontleend.


Vorige paragraaf:
6.1.5 Uitspraak
Volgende paragraaf:
6.1.7 Buigingsvormen: meervoudsvorm, vorm op e, vervoeging