6.1.8 Herkomst

De herkomstaanduiding geeft aan uit welke taal het woord in het Nederlands is of wordt overgenomen. Het is geen etymologische aanduiding van de taal waarin het woord is ontstaan. Zo is Hebreeuws als herkomsttaal vermeld bij woorden uit het Hebreeuws die deze taal zelf aan andere talen heeft ontleend, bijvoorbeeld aan het Aramees.

De herkomstaanduiding betreft alleen de vorm van het woord. Er is dus niet gelet op de betekenis daarvan en evenmin gekeken naar de buiging.

Als twee taalnamen vermeld worden met een schuine streep ertussen, kunnen beide talen als herkomsttaal worden aangewezen. Zo staat bij sof: "herkomst: Hebreeuws/Jiddisj", omdat het woord zowel kan zijn ontleend aan het Hebreeuws als aan het Jiddisj.

Bij twee taalnamen met een koppelteken ertussen bevat een woord of woordcombinatie elementen uit twee talen, zoals het geval is bij het Hebreeuwse woord met een Nederlands achtervoegsel agadisch en bij de vernederlandste Hebreeuwse naam Abraham (beide keren: Hebreeuws-Nederlands).

In gevallen als het laatste wordt het Nederlands gebruikt als tweede herkomsttaal om varianten van elkaar te onderscheiden: enerzijds Avraham (Hebreeuws), anderzijds Abraham (Hebreeuws-Nederlands), met onderscheid in klank en klemtoon. Op dezelfde wijze enerzijds Adam (Hebreeuws), anderzijds Adam (Hebreeuws-Nederlands), met alleen onderscheid in klemtoon.

Bij de herkomst worden niet alleen talen genoemd die geografische grenzen hebben, maar ook het Bargoens, waarin nogal wat Jiddisje woorden een eigen vorm hebben gekregen.

Herkomstaanduidingen worden bij alle woorden gegeven, behalve in een aantal onduidelijke of gecompliceerde gevallen. Omdat daartoe een belangrijk aantal niet-Bijbelse persoonsnamen hoort, is bij deze categorie van herkomstaanduidingen afgezien.


Vorige paragraaf:
6.1.7 Buigingsvormen: meervoudsvorm, vorm op e, vervoeging
Volgende paragraaf:
6.1.9 Betekenis