6.3.5 Medeklinkers

(verantwoording in 7.4)

6.3.5.1 ch of g?
6.3.5.2 sisklanken
6.3.5.3 verdubbeling

6.3.5.1 ch of g?

(verantwoording in 7.4.1)

De klank van de Hebreeuwse letters chet en chaf en de Jiddisje letters ches en chof wordt weergegeven met ch; echter met g waar die letter ingeburgerd is geraakt.
voorbeelden:


6.3.5.2 sisklanken

(verantwoording in 7.4.2)

  1. We schrijven de klank [s] tussen twee klinkers met s, en de klank [z] tussen twee klinkers met z (niet met s).
    voorbeelden: masora, moesaf, nisan; gozer, Hazor, Jeruzalem, penoze
     
  2. We schrijven de klank [sj] met sj (niet met sh of sch of nog anders).
    voorbeelden: falasja, sjibbolet, sjlemiel, Sjoa

6.3.5.3 verdubbeling

(verantwoording in 7.2, met samenvatting en conclusies in 7.2.5)

  1. Basisregel van het Nederlands: We verdubbelen een medeklinkerletter tussen twee klinkers als de eerste klinker kort is. Dit doen we met name als die klinker in een beklemtoonde lettergreep staat, dus gevolgd wordt door een onbeklemtoonde lettergreep, nogal eens met een sjwa. (Reden van de verdubbeling is dat de lettergreep daardoor gesloten wordt, waardoor de klinker kort uitgesproken wordt.)
    voorbeelden: netten (niet neten), zinnig (niet zinig), koppen (niet kopen), rukken (niet ruken), bassist (niet basist)
     
  2. Hoofdregel bij woorden uit het Hebreeuws en het Jiddisj: We verdubbelen een medeklinkerletter tussen twee klinkers:

Vorige paragraaf:
6.3.4 Halfklinkers
Volgende paragraaf:
6.3.6 Overige schrifttekens