6.3.6 Overige schrifttekens

(verantwoording in 7.5)

6.3.6.1 accenttekens
6.3.6.2 koppelteken (liggend streepje)
6.3.6.3 trema (deelteken) en apostrof
6.3.6.4 hoofdletters

6.3.6.1 accenttekens

Het gebruik van accenttekens komt overeen met de aanwijzingen in het Groene Boekje (editie 2005, p. 30-31). Accenttekens worden dus slechts spaarzaam gebruikt, vooral in gevallen van de letter e waarbij de uitspraak daarvan moet worden aangegeven. Een accenteken is bij Sofeer-woorden met name nodig bij de klank [è] in een beklemtoonde open lettergreep aan het eind van een woord: hazè, Menasjè.


6.3.6.2 koppelteken (liggend streepje)

Het gebruik van het koppelteken komt overeen met de aanwijzingen in het Groene Boekje (editie 2005, p. 34-50, zie ook p. 51-55), dus:


6.3.6.3 trema (deelteken) en apostrof

Het gebruik van het trema en de apostrof komt overeen met de aanwijzingen in het Groene Boekje (editie 2005, p. 51-58 en p. 1043), dus:

De algemene regels betreffende trema en apostrof houden kortweg in:

Een trema schrijven we op de tweede van twee opeenvolgende klinkerletters die als één klinker kunnen worden uitgesproken, maar als twee klinkers moeten worden uitgesproken (poëzie, ruïne, coördinatie, reünie).

Een apostrof schrijven we

  1. om een of meer weggevallen klanken aan te duiden ('s morgens, m'n fiets, A'dam),
  2. om een klinker aan het eind van een woord z'n karakter te laten houden als daarop een uitgang of achtervoegsel volgt (Anna's, ski's, baby'tje),
  3. om bij woorden die eindigen op een sisklank de vorm van de tweede naamval aan te duiden (Frans' huis, Max' hond).

6.3.6.4 hoofdletters

Het gebruik van hoofdletters komt overeen met de aanwijzingen in het Groene Boekje (editie 2005, p. 95-112), dus onder andere:


Vorige paragraaf:
6.3.5 Medeklinkers
Volgende paragraaf:
7. Verantwoording van de spelling