7.1.5 Welke uitspraak van welk Hebreeuws en Jiddisj?

7.1.5.1 Dé uitspraak van hét Hebreeuws en hét Jiddisj bestaat niet
7.1.5.2 Geen keus gemaakt bij taalvariëteiten
7.1.5.3 Wel keuzen gemaakt bij uitspraakvarianten
7.1.5.4 Een aantal uitspraakvarianten toch wel weergegeven
7.1.5.5 Ook enkele spelling- of weergavevarianten opgenomen

7.1.5.1 Dé uitspraak van hét Hebreeuws en hét Jiddisj bestaat niet

Bij transcriptie telt de uitspraak. Maar welke uitspraak? De mate van inburgering van woorden in het Sofeer-woordenboek loopt nogal uiteen. Woorden die volledig zijn geïntegreerd, worden uiteraard op z'n Nederlands uitgesproken. Maar bij woorden waarbij dat niet of minder het geval is, speelt een rol wat in de taal van herkomst wordt gezegd.

Eerste kwestie is dan dat hét Hebreeuws en hét Jiddisj niet bestaan. Er is Klassiek- en Modern-Hebreeuws, terwijl er bovendien Sefardische en Asjkenazische variëteiten bestaan. Het beeld van het Jiddisj wordt op het ogenblik vooral bepaald door het Oost-Jiddisj, maar er is ook West-Jiddisj, dat weliswaar is uitgestorven, maar in onze taal wel sporen heeft achtergelaten.

Ten tweede bestaat dé uitspraak niet. Die verschilt tussen collegezaal en synagoge, nieuwslezeres en marktkoopman, ouderen en jongeren.

7.1.5.2 Geen keus gemaakt bij taalvariëteiten

De samenstellers van het woordenboek van Sofeer hebben geen keus gemaakt bij de taalvariëteiten. De bronnen die zij hebben geëxcerpeerd, laten zien hoe in het Nederlands zowel Sefardische als Asjkenazische tradities voortleven, zonder dat behoefte aan uniformering of standaardisering heeft bestaan. Daar is ook in Sofeer niet naar gestreefd.

Dat is ook niet gebeurd bij de Bijbelse namen. Die vertonen niet alleen in de Bijbel variatie, maar hebben ook in het Nederlands verschillende versies, die ooit met namen van godsdienstige groeperingen konden worden geëtiketteerd: rooms-katholiek: Aggeüs en Sofonias, protestants: Haggai en Sefanja, joods: Chagai en Tsefanja. De verschillen klinken in algemene taal door, waarin bijvoorbeeld Jona als Jonas in de wallevis bekend is. Ook hier is niet geüniformeerd, maar zijn twee versies aangehouden: de gangbare versie, waarbij de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004 als leidraad diende, en de transcriptieversie, die met name in de uitgave Tanach van 2007 te vinden is. Ook daarbij komen trouwens variaties voor. Zo wordt een twintigtal namen in de Nieuwe Bijbelvertaling op twee verschillende manieren weergegeven (naast Ezechiël in 1 Kron. 24:16 Jechezkel, en naast Henoch in Gen. 25:4 Chanoch).

De samenstellers hebben wel genormaliseerd bij voornamen van personen waarbij naast elkaar Hebreeuwse en gelatiniseerde versies in gebruik zijn (Jehoeda Halevi en Juda Halevi). In dit soort gevallen is telkens gekozen voor de Hebreeuwse versie, ook waar die in Nederland minder bekend is.

Doordat van de afzonderlijke voornamen beide versies in het woordenboek staan, met onderlinge verwijzingen, zal het vinden van de opgenomen naam geen probleem opleveren (wie bij Isaak een persoon zoekt die in het woordenboek Jitschak heet, wordt bij Isaak naar Jitschak geleid).

7.1.5.3 Wel keuzen gemaakt bij uitspraakvarianten

De samenstellers hebben wel keuzen gemaakt bij de uitspraakvarianten. Bij zowel het Hebreeuws als het Jiddisj is gekozen voor de uitspraak waaraan vaak wordt gerefereerd, en die daardoor een normatief karakter heeft gekregen. Bij het Hebreeuws geldt, zeker in joodse kringen, als norm wat in de ruim vijftig jaar jonge staat Israël wordt gezegd. Dat doet door frequente contacten ook telkens invloed gelden. Bij het Jiddisj is de norm een soort algemeen Oost-Jiddisj dat geleidelijk aan is ontstaan.

Wie in lessen of colleges Bijbels Hebreeuws heeft geleerd om een leraar een [morè] te noemen, mag daarom niet verwonderd zijn dat hij in deze woordenlijst moree aantreft. Als de samenstellers beide uitspraken hadden opgenomen, zouden vele Nederlandstalige gebruikers van deze lijst niet alleen met taalvarianten te maken krijgen, maar ook een keus moeten maken tussen uitspraakmogelijkheden. Dat is in veel gevallen voorkomen door voor een bestaande norm te kiezen.

7.1.5.4 Een aantal uitspraakvarianten toch wel weergegeven

Maar niet alle uitspraakverschillen lieten zich terzijde schuiven. Een vaak voorkomende spelling bijvoorbeeld is Jiddisch met als uitspraak [Jiddies]. Kenners van deze taal zeggen aan het eind echter niet [s], maar [sj]. Daarom staat in het woordenboek: Jiddisj, Jiddisch. In het Groene Boekje en Van Dale stond Jiddisj aanvankelijk niet, maar in de edities 2005 daarvan is deze schrijfwijze ook opgenomen, op de tweede plaats. Hier staat die voorop, om het goede recht te benadrukken van de uitspraak [Jiddiesj].

Onder 6.1.4 kwamen al klemtoonvarianten ter sprake die bijvoorbeeld bij verschillende namen van maanden voorkomen.

Weer iets anders is dat naast 'correcte' vormen frequent 'incorrecte' kunnen worden gebruikt. Zo wordt het vierde Bijbelboek vaak niet Bemidbar genoemd, in overeenstemming met een woord in het eerste vers, maar Bamidbar. Kwesties als deze zijn eveneens met varianten opgelost.

7.1.5.5 Ook enkele spelling- of weergavevarianten opgenomen

Bij ongeveer een half procent van het totale aantal woorden lieten spellingvarianten zich moeilijk vermijden. Soms dienen zich namelijk twee weergaven aan die beide goede rechten hebben, gezien de tradities waaruit ze voortkomen of gezien de doeleinden die ze willen dienen. Zo is zowel Jisraël in gebruik, als Jisraëel. De eerste vorm sluit aan bij de traditionele spelling, terwijl de tweede vooral duidelijk wil maken dat de klemtoon op de laatste lettergreep ligt. Dit laatste is van belang bij een woord in een tekst die hardop gelezen wordt, zoals die van de Bijbel.

Overigens valt niet altijd een scherpe grens te trekken tussen taalvarianten en weergavevarianten. Zo gaat het bij Noömi Naomi en Sinai Sinaï om meer dan alleen verschil in spelling.


Vorige paragraaf:
7.1.4 Transcriptie en translitteratie
Volgende paragraaf:
7.1.6 Weergave in het Nederlands