7.2.2 'Lengte'

Zoals gezegd kent de uitspraak van Hebreeuwse klinkers nogal wat vrijheid en dus ook nogal wat variatie. Daardoor is het verdubbelen van klinkerletters alleen nodig waar duidelijk 'lange' klinkers te horen zijn, en het verdubbelen van medeklinkerletters alleen waar duidelijk 'korte' klinkers gezegd worden.

Hierbij vragen vooral de 'lange' klinkers aandacht. Want Hebreeuwse klinkers worden weliswaar overwegend 'kort' uitgesproken, maar daarop bestaan in ieder geval twee uitzonderingen: [ie] en [ee].

De klank [ie]

De Hebreeuwse [ie]-klank is gewoonlijk 'lang', dus zoals in niet en nier. Deze 'lange' klank wordt in het Nederlands zowel met ie weergegeven als met i:

Conclusie is dat bij het weergeven van een Hebreeuwse [ie] in veel gevallen een enkele letter i kan worden geschreven, maar dat een ie in aanmerking komt in gesloten lettergrepen en in beklemtoonde open niet-eindlettergrepen.

De klank [ee]

De tweede uitzondering onder de Hebreeuwse klinkers is de [ee]-klank. Die wisselt nogal eens met een [è]-klank (vergelijk [Mosjee] en [Mosjè], [Peesach] en [Pèsach]). Deze wisselingen lopen niet parallel met het traditionele onderscheid tussen de klinkertekens segol en tseree, waarvan de segol in het onderwijs van het klassieke Hebreeuws vaak wordt uitgesproken als [è] en de tseree vaak als [ee]. Zo klinkt in het moderne Hebreeuws daar waar de klinker het woord afsluit, vaak een [ee].
In het Nederlandse schrift wordt de klank [ee] geschreven met ee in een open eindlettergreep (mee) en in een gesloten niet-eindlettergreep (meet), en met e in een open niet-eindlettergreep (meten).

Nu kan de letter e ook een sjwa aanduiden (me, meten). In verband daarmee kan een Hebreeuwse klinker [è] of [ee] beter niet worden weergegeven door een enkele letter e in posities waarin deze letter gemakkelijk als een sjwa kan worden uitgesproken (vergelijk sofer en sofeer).

De verdubbeling van medeklinkerletters na 'korte' klinkers komt in het volgende onderdeel aan de orde, 7.2.3.


Vorige paragraaf:
7.2.1 Verschillen in taalstructuur
Volgende paragraaf:
7.2.3 Klemtoon