7.2.7 Tweeklanken

Bij de weergave van tweeklanken doen zich geen bijzondere kwesties voor. In woorden uit het Hebreeuws en Jiddisj eindigen ze net als in het Nederlands op óf een [j]-achtige, óf een [w]-achtige klank, die zich goed op z'n Nederlands laat weergegeven, dus met een afsluitende letter i (ai, ei, oi) of u (ou, au).

Tweeklanken blijven bij de woorden uit het Hebreeuws beperkt tot die uit de Asjkenazische variëteit, met ei en ou. Ze vervullen in het moderne (Sefardische) Hebreeuws slechts een bijrol, zoals tabel 1 laat zien.

Tweeklanken komen vooral voor in woorden uit het Jiddisj. In het (nog gesproken) Oost-Jiddisj eindigen ze op een [j]-achtige klank en worden dan geschreven: ai, ej en oi. In het (niet meer gesproken) West-Jiddisj kunnen ze ook eindigen op een [w]-achtige klank, en worden dan geschreven: au en ou.

De lettercombinatie ej is in het Nederlands weinig gebruikelijk. Het gaat daarbij om een tweeklank die bestaat uit [ee] plus [i/j]. De beklemtoonde klinker in het Nederlandse mee en kneden wordt in de Nederlandse randstad weliswaar ook als een tweeklank uitgesproken, maar de spelling ee brengt dit niet tot uitdrukking. Daarom is besloten tot een weergave met ej, die aansluit bij de traditie die onze woordenboeken ooit met het woord goj heeft verrijkt. De lezer zal deze spelling ej overigens slechts enkele keren in het woordenboek tegenkomen, want de meeste Jiddisje woorden daarin zijn niet van Oost-, maar van West-Jiddisje herkomst.

Zie voor concrete regels met voorbeelden 6.3.3.7.


Vorige paragraaf:
7.2.6 Klinkers: sjwa
Volgende paragraaf:
7.3 Halfklinkers