8.1.1 Grenzen bij de talen

Met de keus van het Hebreeuws en Jiddisj zijn grenzen getrokken. De vraag kan worden gesteld of niet ook het Aramees in aanmerking was gekomen, evenals andere Semitische talen zoals het Arabisch. Bij de keus is echter niet allereerst gelet op eigenschappen van de talen waaruit woorden worden gebruikt, maar vooral op aspecten van het gebruik zelf, zoals de redenen ervan, de bevolkingsgroepen waarin het gebeurt, en de soorten woorden waarom het gaat.

Daarbij bestaan tussen het Hebreeuws en het Jiddisj belangrijke overeenkomsten. In beide gevallen zijn en worden namelijk vooral woorden overgenomen in joodse kringen. Daar komt bij dat het schrift waarvan de twee talen gebruik maken, getuigt van de sociale relaties die tussen beide bestaan. Hoewel deze minder met elkaar gemeen hebben dan bijvoorbeeld het Hebreeuws en Arabisch, gebruiken zij in tegenstelling tot deze laatste talen dezelfde letters, namelijk het Hebreeuwse alfabet. En de overeenkomstige letters waarmee beide talen geschreven worden, zorgen weer voor overeenkomsten bij spellingkwesties als woorden uit die talen in het Nederlands geschreven moeten worden.

Overigens zijn de grenzen in het woordenboek in vele gevallen ruimhartig opengesteld, zoals de herkomstaanduidingen laten zien. Daarbij gaat het om woorden die vele gebruikers als joods of Israëlisch ervaren, zodat zij die in Sofeer verwachten aan te treffen. Zo zijn enkele tientallen woorden van Arabische, Aramese en Portugese herkomst verwelkomd: almemmor, choemoes, matlies, synagoge, tedesco.

Dichter bij huis bevinden zich de Bargoense woorden van Hebreeuwse of Jiddisje herkomst die binnen de grenzen van het Nederlandse taalgebied gebruikt worden. Ook die zijn opgenomen.


Vorige paragraaf:
8.1 Begrenzing
Volgende paragraaf:
8.1.2 Grenzen bij de woorden