Aäron

afbreking: Aä·ron [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. afstammeling van Levi-1, zoon van Amram(2)-1 en Jochebed, broer van Mozes-1 en Mirjam(2)-1, eerste hogepriester van Israël-2, stamvader van de priesters; leidt met Mozes-1 de Israëlieten uit Egypte (347x: Ex. 4:14 +, Lev. 1:5 +, Num. 1:3 +, Deut. 9:20 +, Joz. 21:4 +, Recht. 20:28, 1 Sam. 12:6 +, Mi. 6:4, Ps. 77:21 +, Ezra 7:5, Neh. 10:39 +, 1 Kron. 5:29 +, 2 Kron. 13:9 +; ook 5x in NT);
  2. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Aharon [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-