Abda

afbreking: Ab·da [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'dienstknecht';  

 
  1. vader van Adoniram (1 Kon. 4:6);
  2. zoon van Sammua, Leviet-2, zanger; andere naam: Obadja-4 (Neh. 11:17)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Avda [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-