Abraham

afbreking: Abra·ham [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'vader heeft lief', volgens Gen. 17:5 'vader van veel volken';  

 
  1. eerste van de drie aartsvaders, man van Sara(2)-1, vader van Isaak-1; heet aanvankelijk Abram, maar krijgt de naam Abraham-1 als God een verbond met hem sluit; begraven in de grot van Machpela(2) (175x: Gen. 17:5 +, Ex. 2:24 +, Lev. 26:42, Num. 32:11, Deut. 1:8 +, Joz. 24:2 +, 1 Kon. 18:36, 2 Kon. 13:23, Jes. 41:8 +, Jer. 33:26, Ez. 33:24, Mi. 7:20, Ps. 47:10 +, Neh. 9:7, 1 Kron. 1:27 +, 2 Kron. 20:7 +; ook 73x in NT);
  2. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Avraham [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-