Achaz

Achaz (1)

afbreking: Achaz [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: '(de Heer) houdt vast';  

 
  1. zoon en opvolger van koning Jotam-2 van Juda-4 (38x: 2 Kon. 15:38 +, Jes. 1:1 +, Hos. 1:1, Mi. 1:1, 1 Kron. 3:13 +, 2 Kron. 27:9 +; Griekse vorm 2x in NT);
  2. afstammeling van Benjamin-1, nakomeling van Saul-1, zoon van Micha-2 (1 Kron. 8:35, 8:36, 9:42)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Achaz(2) [ ? ]
zie ook: Achazja, Achazjahoe  

Achaz (2)

afbreking: Achaz [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: '(de Heer) houdt vast';  

 
  1. zoon en opvolger van koning Jotam(2)-2 van Juda-4 (38x: 2 Kon. 15:38 +, Jes. 1:1 +, Hos. 1:1, Mi. 1:1, 1 Kron. 3:13 +, 2 Kron. 27:9 +; ook 2x in NT);
  2. afstammeling van Benjamin-1, nakomeling van Saul-1, zoon van Micha(2)-2 (1 Kron. 8:35, 8:36, 9:42)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Achaz [ ? ]
zie ook: Achazja(2), Achazjahu  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-