achenebbisj, ochenebbisj

afbreking: ache·neb·bisj, oche·neb·bisj [ ? ]
herkomst: Jiddisj [ ? ]

 
  1. och!, helaas!, jammer! (uitroep van medelijden of spijt);
  2. armoedig, zielig
[ ? ]

spelling: 'achenebbisj, ochenebbisj' is een taalvariant (zie help 7.1.5)  
zie ook: nebbisj  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-