Achimaäs

afbreking: Achi·ma·äs [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn broer is toornig';  

 
  1. vader van Achinoam-1, schoonvader van Saul-1 (1 Sam. 14:50);
  2. zoon van de priester Sadok-1 (13x: 2 Sam. 15:27 +, 1 Kron. 5:34 +);
  3. man van Basemat, schoonzoon van Salomo-1 (1 Kon. 4:15)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Achimaäts [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-