Achitub

afbreking: Achi·tub [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: '(mijn) broer is goed(heid)';  

 
  1. kleinzoon van Eli(2), vader van Achia(2)-1 en Achimelech-1 (5x: 1 Sam. 14:3 +);
  2. (groot)vader van de priester Sadok-1 (10x: 2 Sam. 8:17, Ezra 7:2, Neh. 11:11, 1 Kron. 5:33 +)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Achitoev [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-