adar risjon

afbreking: adar ri·sjon [ ? ]
  [uitspraak: riesjon] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'eerste adar';  

  twaalfde maand van het joodse jaar in een schrikkeljaar (februari-maart) [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-