Amalek

afbreking: Ama·lek [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. kleinzoon van Esau-1, zoon van Elifaz(2)-1 en Timna (Gen. 36:12, 1 Kron. 1:36);
  2. nomadisch volk dat voortkomt uit de kleinzoon van Esau-1 (37x: Gen. 36:16, Ex. 17:8 +, Num. 13:29 +, Deut. 25:17 +, Recht. 3:13 +, 1 Sam. 14:48 +, 2 Sam. 1:1 +, Ps. 83:8, 1 Kron. 4:43 +)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Amaleek [ ? ]
zie ook: Amalekiet  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-