Amalekiet

afbreking: Ama·le·kiet [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: Ama·le·kie·ten  
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: afleiding van 'Amaleek/Amalek';  

  lid van het volk Amalek-2 (12x: Gen. 14:7, Num. 14:25 +, Recht. 12:15, 1 Sam. 15:6 +, 2 Sam. 1:8 +) [ ? ]

zie ook: Amaleek, Amalek  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-