Amoraïem

afbreking: Amo·ra·ïem [ ? ]
lidwoord: de  
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'zegslieden';  

  geleerden in Babylonië en Palestina die bijdroegen tot de totstandkoming van de Talmoed (ca. 200 - ca. 500, tussen de Tanaïem en de Savoraïem) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands: Amoraïeten [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-