Anatot

Anatot (1)

afbreking: Ana·tot [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'van (de godin) Anat';  

 
  1. plaats in het gebied van Benjamin-3 (13x: Joz. 21:18, 1 Kon. 2:26, Jes. 10:30, Jer. 1:1 +, Ezra 2:23, Neh. 7:27 +, 1 Kron. 6:45);
  2. een van de hoofden van het volk die zich na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 verbinden om de Tora te onderhouden (Neh. 10:20);
  3. kleinzoon van Benjamin-1, zoon van Becher (1 Kron. 7:8)
[ ? ]

  Anatot  
verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Anatot(2) [ ? ]

Anatot (2)

afbreking: Ana·tot [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'van (de godin) Anat';  

 
  1. plaats in het gebied van Benjamin-3 (13x: Joz. 21:18, 1 Kon. 2:26, Jes. 10:30, Jer. 1:1 +, Ezra 2:23, Neh. 7:27 +, 1 Kron. 6:45);
  2. een van de hoofden van het volk die zich na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 verbinden om de Tora te onderhouden (Neh. 10:20);
  3. kleinzoon van Benjamin-1, zoon van Becher (1 Kron. 7:8)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Anatot [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-