Arameeër

afbreking: Ara·mee·ër [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: Ara·mee·ërs  
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: afleiding van 'Aram';  

  lid van het volk Aram(2)-2 (10x: Gen. 25:20 +, Deut. 26:5, 2 Kon. 5:20 +) [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-