Ariël

afbreking: Ari·ël [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'leeuw/brandplaats van God';  

 
  1. (vader van) een tweetal helden in Moab (2 Sam. 23:20, 1 Kron. 11:22);
  2. brandofferaltaar in de tempel, daarmee ook naam voor Jeruzalem-1 (5x: Jes. 29:1 +);
  3. een van degenen die met Ezra(2)-1 terugkeren uit de ballingschap in Babel-2 (Ezra 8:16);
  4. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Ariël, Arieel [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-