Asara Betevet

afbreking: Asa·ra Be·te·vet, Asa·ra Be·te·vet [ ? ]
  [uitspraak: Bətèvet, Bəteeveet] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'tien tevet';  

  vastendag op 10 tevet ter herdenking van het beleg van Jeruzalem dat beschreven wordt in 2 Kon. 25 [ ? ]

zie ook: tevet  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-