Asjoer

afbreking: Asjoer [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. tweede zoon van Sem, in vertalingen: Assur (Gen. 10:22, 1 Kron. 1:17);
  2. uit hem voortgekomen volk, in vertalingen: Assur en Assyrië (o.a. Ez. 23:12; nr. 2-5: 149x, zie nr. 5);
  3. stad bij de Tigris, in vertalingen: Assur (o.a. Ez. 27:23; nr. 2-5: 149x, zie nr. 5);
  4. land en rijk bij de Tigris, in vertalingen: Assur en Assyrië (o.a. Gen. 25:18, 2 Kon. 15:19; nr. 2-5: 149x, zie nr. 5);
  5. mogelijk: Arabische stam in het zuiden van het Bijbelse land Israël-3, in vertalingen: Assur en Assyrië (o.a. Ps. 83:9; nr. 2-5: 149x: Gen. 2:14 +, Nu 24:22 +, 2 Kon. 15:19 +, Jes. 7:17 +, Jer. 2:18 +, Ez. 16:28 +, Hos. 5:13 +, Mich. 5:4 +, Nah. 3:18, Sef. 2:13, Zach. 10:10 +, Ps. 83:9, Klaagl. 5:6, Ezr. 4:2 +, Neh. 9:32, 1 Kron. 5:26, 2 Kron. 28:16 +)
[ ? ]

  Asjoer  
verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Assur, Assyrië [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-