Atalja

Atalja (1)

afbreking: Atal·ja [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer is verheven';  

 
  1. dochter van Achab-1 en Izebel, vrouw van koning Joram-2 van Juda-4, moeder van Achazja-2; andere naam: Ataljahu (5x: 2 Kon. 11:1 +, 2 Kron. 22:12);
  2. vader van Jesaja-1, die met Ezra-1 terugkeert uit de ballingschap in Babel-2 (Ezra 8:7);
  3. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Jerocham (1 Kron. 8:26)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Atalja(2) [ ? ]

Atalja (2)

afbreking: Atal·ja [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer is verheven';  

 
  1. dochter van Achab-1 en Izebel, vrouw van koning Joram(2)-2 van Juda-4, moeder van Achazja(2)-2; andere naam: Ataljahu (5x: 2 Kon. 11:1 +, 2 Kron. 22:12);
  2. vader van Jesaja-1, die met Ezra(2)-1 terugkeert uit de ballingschap in Babel-2 (Ezra 8:7);
  3. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Jerocham (1 Kron. 8:26)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Atalja [ ? ]
zie ook: Ataljahu, Atalja  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-