av

av (1)

afbreking: av [ ? ]
meervoud: avot  
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

  vader [ ? ]

zie ook: abba, Avot, kiboed av waëem, tatte  

av (2)

afbreking: av [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

  vijfde maand van het joodse jaar, in juli-augustus, elfde maand bij telling vanaf Rosj Hasjana [ ? ]

zie ook: menachem av, Tisja Beav  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-