aveel

afbreking: aveel [ ? ]
  [uitspraak: aveeliem] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: ave·liem  
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

 
  1. rouwend;
  2. rouwende (na de begrafenis)
[ ? ]

verwant: Jiddisj: ovel [ ? ]
zie ook: birkat aveliem, oneen  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-