Avia

afbreking: Avia [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: '(mijn) vader is de Heer';  

 
  1. tweede zoon van Samuel-1 (1 Sam. 8:2, 1 Kron. 6:13);
  2. zoon van koning Jerobeam-1 van Israël-4 (1 Kon. 14:1);
  3. een van de priesters die zich na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 verbinden om de Tora te onderhouden (3x: Neh. 10:8 +);
  4. vrouw van Chesron-2 (1 Kron. 2:24);
  5. zoon en opvolger van koning Rechabeam van Juda-4; andere namen: Abiam, Abiahu (13x: 1 Kron. 3:10 +; Griekse vorm 2x in NT);
  6. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Becher (1 Kron. 7:8);
  7. hoofd van de achtste afdeling priesters (1 Kron. 24:10);
  8. dochter van Zecharjahu-13, moeder van koning Jechizkia van Juda-4 (2 Kron. 29:1)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Abia [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-