Avigajil

afbreking: Avi·ga·jil [ ? ]
  [uitspraak: Aviğàjil] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: '(mijn) vader verheugt zich';  

 
  1. vrouw van Nabal, na diens dood van David-1; andere naam: Abigal-1 (13x: 1 Sam. 25:3 +, 2 Sam. 2:2 +, 1 Kron. 3:1);
  2. zuster van David-1, vrouw van Jeter, moeder van Amasa; andere naam: Abigal-2 (1 Kron. 2:16, 2:17)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Abigaïl [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-