Avimelech

afbreking: Avi·me·lech [ ? ]
  [uitspraak: Avimèlech] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn vader is koning';  

 
  1. koning van Gerar (24x: Gen. 20:2 +);
  2. zoon van Gideon-1 (41x: Recht. 8:31 +, 2 Sam. 11:21);
  3. koning van Gat-1; andere naam: Achis (Ps. 34:1);
  4. zoon van (voorgestelde verbetering: vader van) Abjatar-2, priester (1 Kron. 18:16)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Abimelech [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-