Azarja

Azarja (1)

afbreking: Azar·ja [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer heeft geholpen';  

 
  1. zoon en opvolger van koning Amasja-1 van Juda-4; andere namen: Azarjahu-3, Uzziahu-1, Uzzia-1 (7x: 2 Kon. 14:21 +, 1 Kron. 3:12);
  2. afstammeling van Juda-1, zoon van Hosaäja, tegenstrever van de profeet Jeremia-1 (Jer. 43:2);
  3. afstammeling van Juda-1, een van de drie metgezellen van Daniël-2; andere naam: Abednego (5x: Dan. 1:6 +);
  4. nakomeling van de priester Sadok-1, zoon van Chilkia-2, vader van Seraja, grootvader van Ezra-1 (Ezra 7:1, 1 Kron. 5:39, 5:40);
  5. nakomeling van Aäron-1, zoon van Merajot, vader van Amarja, voorvader van Ezra-1 (Ezra 7:3);
  6. zoon van Maäseja-7; werkt mee aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 3:23, 3:24);
  7. een van degenen die met Zerubbabel terugkeren uit de ballingschap in Babel-2; andere naam: Seraja (Neh. 7:7);
  8. afstammeling van Levi-1; geeft uitleg van de Tora in de tijd van Ezra-1 (Neh. 8:7);
  9. een van de priesters die zich na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 verbinden om de Tora te onderhouden; mogelijk identiek met Azarja-10 (Neh. 10:3);
  10. lid van een koor dat de stadsmuur van Jeruzalem inwijdt; mogelijk identiek met Azarja-9 (Neh. 12:33);
  11. afstammeling van Juda-1, kleinzoon van Zerach-3, zoon van Etan (1 Kron. 2:8);
  12. afstammeling van Juda-1, zoon van Jehu-3, vader van Cheles (1 Kron. 2:38, 2:39);
  13. afstammeling van Levi-1, zoon van Achimaäs, vader van Jochanan-6 (1 Kron. 5:35);
  14. afstammeling van Levi-1, zoon van Jochanan-6, vader van Amarja, priester in de tijd van Salomo-1 (1 Kron. 5:36, 5:37);
  15. afstammeling van Levi-1, zoon van Sefanja-4, vader van Joël-8, voorvader van Heman-3, die zanger is in de tempel (1 Kron. 6:21);
  16. nakomeling van Sadok-6, zoon van Chilkia-5, inwoner van Jeruzalem-1; andere naam: Seraja (1 Kron. 9:11);
  17. zoon van koning Jehosafat-3 van Juda-4, broer van Joram-2, die hem vermoordt; andere naam: Azarjahu-5 (2 Kron. 21:2);
  18. deuterocanoniek bijbelgedeelte, toegevoegd aan het boek Daniël-5
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Azarja(2) [ ? ]

Azarja (2)

afbreking: Azar·ja [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer heeft geholpen';  

 
  1. zoon en opvolger van koning Amasja-1 van Juda-4; andere namen: Azarjahu-3, Uzziahu-1, Uzzia-1 (7x: 2 Kon. 14:21 +, 1 Kron. 3:12);
  2. afstammeling van Juda-1, zoon van Hosaäja, tegenstrever van de profeet Jeremia-1 (Jer. 43:2);
  3. afstammeling van Juda-1, een van de drie metgezellen van Daniël-2; andere naam: Abednego (5x: Dan. 1:6 +);
  4. nakomeling van de priester Sadok-1, zoon van Chilkia(2)-2, vader van Seraja, grootvader van Ezra(2)-1 (Ezra 7:1, 1 Kron. 5:39, 5:40);
  5. nakomeling van Aäron-1, zoon van Merajot, vader van Amarja, voorvader van Ezra(2)-1 (Ezra 7:3);
  6. zoon van Maäseja(2)-7; werkt mee aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 3:23, 3:24);
  7. een van degenen die met Zerubbabel terugkeren uit de ballingschap in Babel-2; andere naam: Seraja (Neh. 7:7);
  8. afstammeling van Levi-1; geeft uitleg van de Tora in de tijd van Ezra(2)-1 (Neh. 8:7);
  9. een van de priesters die zich na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 verbinden om de Tora te onderhouden; mogelijk identiek met Azarja-10 (Neh. 10:3);
  10. lid van een koor dat de stadsmuur van Jeruzalem inwijdt; mogelijk identiek met Azarja-9 (Neh. 12:33);
  11. afstammeling van Juda-1, kleinzoon van Zerach-3, zoon van Etan (1 Kron. 2:8);
  12. afstammeling van Juda-1, zoon van Jehu-3, vader van Cheles (1 Kron. 2:38, 2:39);
  13. afstammeling van Levi-1, zoon van Achimaäs, vader van Jochanan(2)-6 (1 Kron. 5:35);
  14. afstammeling van Levi-1, zoon van Jochanan(2)-6, vader van Amarja, priester in de tijd van Salomo-1 (1 Kron. 5:36, 5:37);
  15. afstammeling van Levi-1, zoon van Sefanja-4, vader van Joël-8, voorvader van Heman(2)-3, die zanger is in de tempel (1 Kron. 6:21);
  16. nakomeling van Sadok-6, zoon van Chilkia(2)-5, inwoner van Jeruzalem-1; andere naam: Seraja (1 Kron. 9:11);
  17. zoon van koning Jehosafat-3 van Juda-4, broer van Joram(2)-2, die hem vermoordt; andere naam: Azarjahu-5 (2 Kron. 21:2);
  18. deuterocanoniek bijbelgedeelte, toegevoegd aan het boek Daniël-5
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Azarja [ ? ]
zie ook: Azarjahu, Azarja  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-