Azarjahu, Azarja

afbreking: Azar·ja·hu, Azar·ja [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer heeft geholpen';  

 
  1. zoon van Sadok-1, hogepriester in de tijd van koning Salomo-1 (1 Kon. 4:2);
  2. zoon van Natan(2)-4, hoofd van de stadhouders bij koning Salomo-1 (1 Kon. 4:5);
  3. zoon en opvolger van koning Amasja-1 van Juda-4; andere namen: Azarja(2)-1, Uzziahu-1, Uzzia-1 (2 Kon. 15:6, 15:8);
  4. zoon van Oded, profeet die zich richt tot koning Asa(2)-1 van Juda-4 (2 Kron. 15:1);
  5. zoon van koning Jehosafat-3 van Juda-4, broer van Joram(2)-2, die hem vermoordt; andere naam: Azarja(2)-17 (2 Kron. 21:2);
  6. zoon en opvolger van koning Joram(2)-2 van Juda-4; andere namen: Achazja(2)-2, Achazjahu-2, Jehoachaz (2 Kron. 22:6);
  7. zoon van Jerocham, die zich verbindt met de priester Jehojada-2 (2 Kron. 23:1);
  8. zoon van Obed-5; verbindt zich met de priester Jehojada-2 (2 Kron. 23:1);
  9. priester die zich opstelt tegenover koning Uzzia-1 van Juda-4 (2 Kron. 26:17, 26:20);
  10. afstammeling van Efraïm-1, zoon van Jehochanan-9 (2 Kron. 28:12);
  11. afstammeling van Levi-1, nakomeling van Kehat(2), vader van Joël-13 (2 Kron. 29:12);
  12. afstammeling van Levi-1, nakomeling van Merari(2), vader van Jehallelel (2 Kron. 29:12);
  13. nakomeling van Sadok-1, hogepriester (2 Kron. 31:10, 31:13)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Azarjahoe [ ? ]
spelling: 'Azarjahu' wordt in de meeste vertalingen 'Azarja(2)'  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-