Baäl

afbreking: Ba·äl [ ? ]
lidwoord: de  
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) / Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'bezitter, eigenaar, heer';  

 
  1. West-Semitische mannelijke godheid, vaak verbonden met een plaats van verering, hoofdgod van de Kanaänieten; de naam is verwant met Bel; vrouwelijke tegenhangers zijn Asjera en Astarte (76x: Recht. 2:11 +, 1 Sam. 7:4 +, 1 Kon. 16:31 +, 2 Kon. 3:2 +, Jer. 2:8 +, Hos. 2:10 +, Sef. 1:4, 2 Kron. 17:3 +);
  2. plaats in het gebied van Simeon-3 (1 Kron. 4:33);
  3. afstammeling van Ruben-1, zoon van Reaja, vader van Beëra (1 Kron. 5:5);
  4. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Jeïël-4, oom van Saul-1 (1 Kron. 8:30, 9:36)
[ ? ]

zie ook: Baäla, Kirjat Baäl, Kirjat-Baäl  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-