Babel

afbreking: Ba·bel [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'poort van god';  

 
  1. hoofdstad van het rijk Babel-2; in vertalingen vaak: Babylon (o.a. Gen. 11:9; 1-2: 286x, zie nr. 2);
  2. rijk aan de benedenloop van de Eufraat-1 en de Tigris; in vertalingen vaak: Babylonië (o.a. Dan. 1:1; nr. 1-2: 286x: Gen. 10:10 +, 2 Kon. 17:24 +, Jes. 13:1 +, Jer. 20:4 +, Ez. 17:12 +, Mi. 4:10, Zach. 2:11 +, Ps. 87:4 +, Est. 2:6, Dan. 1:1 +, Ezra 1:11 +, Neh. 7:6 +, 1 Kron. 9:1, 2 Kron. 32:31 +; ook 6x in NT)
[ ? ]

  Babel  
verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Bavel [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-