bagel, begel

afbreking: ba·gel, be·gel [ ? ]
  [uitspraak: beğəl] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: ba·gels, be·gels
[uitspraak: beğəls]
 
herkomst: Jiddisj [ ? ]

  bepaald rond broodje met gat in het midden (waarvan de naam in de Engelse spelling 'bagel' ingeburgerd is geraakt) [ ? ]

spelling: 'bagel, begel' is een weergavevariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-