Balak

Balak (1)

afbreking: Ba·lak [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. zoon van Sippor, koning van Moab; vraagt aan Bileam-1 om het volk Israël-2 te vervloeken (43x: Num. 22:2 +, Joz. 24:9, Recht. 11:25, Mi. 6:5);
  2. tweede woord, tevens naam van de perikoop Bemidbar 22:2-25:9
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Balak(2) [ ? ]

Balak (2)

afbreking: Ba·lak [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. zoon van Sippor, koning van Moab; vraagt aan Bileam-1 om het volk Israël-2 te vervloeken (43x: Num. 22:2 +, Joz. 24:9, Recht. 11:25, Mi. 6:5);
  2. tweede woord, tevens naam van de perikoop Bemidbar 22:2-25:9
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Balak [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-