Basan

afbreking: Ba·san [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'vlak, steenloos, vruchtbaar terrein';  

  vruchtbare hoogvlakte ten oosten van de Jordaan bij het Meer van Kinneret, bekend om haar eikenwouden, weiden en vette koeien (59x: Num. 21:33 +, Deut. 1:4 +, Joz. 9:10 +, 1 Kon. 4:13 +, 2 Kon. 10:33, Jes. 2:13 +, Jer. 22:20 +, Ez. 27:6 +, Am. 4:1, Mi. 7:14, Nah. 1:4, Zach. 11:2, Ps. 22:13 +, Neh. 9:22, 1 Kron. 5:11 +) [ ? ]

  Basan  
verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Basjan [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-