Beëlzebub

afbreking: Be·ël·ze·bub [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands [ ? ]

  Latijnse versie van het Hebreeuwse Baäl-Zebub (4x in OT: 2 Kon. 1:2, 1:3, 1:6, 1:16: god van Ekron(2), die door koning Achazja(2)-1 van Israël-4 wordt geraadpleegd) en ook van het Griekse Beëlzebul (7x in NT: volgens Mat. 9:34 en Marc. 3:22 'de overste van de boze geesten' of 'de vorst van de demonen') [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Baäl Zevoev;
Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Baäl-Zebub
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-