Behaälotcha

afbreking: Be·ha·ä·lot·cha [ ? ]
  [uitspraak: Bəhaälotcha] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'bij jouw laten opgaan';  

  woord uit het begin, tevens naam van de perikoop Bemidbar 8:1-12:16 [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-