behemot

behemot (1)

afbreking: be·he·mot [ ? ]
  [uitspraak: bəheemot] [ ? ]
lidwoord: de  
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: meervoud van 'beest';  

  reusachtig land- en waterdier uit de oertijd; in vertalingen vaak: nijlpaard (Job 40:15) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): behemot(2) [ ? ]

behemot (2)

afbreking: be·he·mot [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud be·he·mots  
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: meervoud van 'beest';  

  reusachtig land- en waterdier uit de oertijd; in vertalingen vaak: nijlpaard (Job 40:15) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): behemot [ ? ]
spelling: Groene Boekje 2005: behemoth(s)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-