Benajahu, Benaja

afbreking: Be·na·ja·hu, Be·na·ja [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'gebouwd heeft de Heer';  

 
  1. zoon van Jehojada-1, een van de dertig helden van David-1, bevelhebber van de Keretieten en de Peletieten, mogelijk identiek met Benajahu-6; andere naam: Benaja(2)-1 (29x: 2 Sam. 8:18 +, 1 Kon. 1:8 +, 1 Kron. 11:24 +);
  2. een van de dertig helden van David-1, uit Piraton (2 Sam. 23:30);
  3. vader van Pelatja, tegen wie Ezechiël-1 moet profeteren (Ez. 11:1);
  4. Leviet-2, harpspeler bij de verbondsark (1 Kron. 15:18, 15:20, 16:5);
  5. priester, trompetspeler bij de komst van de verbondsark in Jeruzalem-1 (1 Kron. 15:24, 16:6);
  6. vader van Jehojada-4, mogelijk identiek met Benajahu-1 (1 Kron. 27:34);
  7. afstammeling van Levi-1, toezichthouder bij de tempel in de tijd van koning Jechizkia van Juda-4 (2 Kron. 31:13)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Benajahoe [ ? ]
spelling: 'Benajahu' wordt in de meeste vertalingen 'Benaja(2)'  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-