Beor

Beor (1)

afbreking: Be·or [ ? ]
  [uitspraak: Bəor] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. vader van koning Bela van Edom-2 (Gen. 36:32, 1 Kron. 1:43);
  2. vader van de ziener Bileam-1 (8x: Num. 22:5 +, Deut. 23:5, Joz. 13:22 +, Mi. 6:5)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Beor(2) [ ? ]

Beor (2)

afbreking: Be·or [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. vader van koning Bela van Edom(2)-2 (Gen. 36:32, 1 Kron. 1:43);
  2. vader van de ziener Bileam-1 (8x: Num. 22:5 +, Deut. 23:5, Joz. 13:22 +, Mi. 6:5)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Beor [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-