Betsaleel

afbreking: Be·tsa·leel [ ? ]
  [uitspraak: Bətsaleel] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'in de schaduw van God';  

 
  1. afstammeling van Juda-1, zoon van Uri, ambachtsman bij het maken van de tabernakel (8x: Ex. 31:2 +, 1 Kron. 2:20, 2 Kron. 1:5);
  2. zoon van Pachat-Moab, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:30)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Besaleël [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-