Betuel

afbreking: Be·tu·el [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. zoon van Nachor(2)-2 en Milka, vader van Rebekka-1 (9x: Gen. 22:22 +);
  2. plaats in het gebied van Simeon-3; andere naam: Betul (1 Kron. 4:30)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Betoeëel [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-