Bildad

Bildad (1)

afbreking: Bil·dad [ ? ]
  [uitspraak: Bieldad] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

  een van de drie vrienden van Job-1, uit Suach (5x: Job 2:11 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Bildad(2) [ ? ]

Bildad (2)

afbreking: Bil·dad [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

  een van de drie vrienden van Job-1, uit Suach (5x: Job 2:11 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Bildad [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-