Bileam

afbreking: Bi·le·am [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. zoon van Beor(2)-2, ziener uit Petor, aan wie koning Balak(2) van Moab vraagt om het volk Israël-2 te vervloeken (60x: Num. 22:5 +, Deut. 23:5 +, Joz. 13:22 +, Mi. 6:5, Neh. 13:2; ook 3x in NT);
  2. oorspronkelijk Kanaänitische plaats in het westelijke gebied van Manasse-3, ten zuidoosten van Taänach; andere naam: Jibleam (1 Kron. 6:55)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Bilam [ ? ]
spelling: spelling elders: Balaäm  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-