Bilha

Bilha (1)

afbreking: Bil·ha [ ? ]
  [uitspraak: Bielha] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. slavin van Rachel-1, moeder van Dan-1 en Naftali-1, de vijfde en zesde zoon van Jakob-1 (10x: Gen. 29:29 +, 1 Kron. 7:13);
  2. plaats die is toegewezen aan de stam Simeon-2 in het zuiden van het gebied van Juda-3: andere namen: Baäla-2, Bala (1 Kron. 4:29)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Bilha(2) [ ? ]

Bilha (2)

afbreking: Bil·ha [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. slavin van Rachel-1, moeder van Dan-1 en Naftali(2)-1, de vijfde en zesde zoon van Jakob-1 (10x: Gen. 29:29 +, 1 Kron. 7:13);
  2. plaats die is toegewezen aan de stam Simeon-2 in het zuiden van het gebied van Juda-3: andere namen: Baäla(2)-2, Bala(2) (1 Kron. 4:29)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Bilha [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-