binjan

afbreking: bin·jan [ ? ]
  [uitspraak: bienjan] [ ? ]
lidwoord: het  
meervoud: bin·ja·niem
[uitspraak: bienjaniem]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'gebouw';  

  bouw van de stam, stamvorm bij vervoeging van werkwoorden (grammaticale term) [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-